Sessie 4: Het Dagboek van een Water Goliath

Dagen en Nachten in Droogdam

Droogdam. De naam zegt het al. Geen mensen, geen geluid, alleen zand dat over dorre aarde trekt. Lage kleihuisjes, uitgedroogd en verlaten. De meeste deuren stonden open, of waren er niet meer.

Wij kozen er één uit die er nog solide uitzag. Rond, dikke kleiwanden, één raam, een deur die nog op zijn scharnieren hing. Dit werd ons basiskamp.

Het meest opvallende in Droogdam was niet wat er ontbrak, maar wat er nog wél was: een grote put, midden in het dorp. Vol water...

Ik boog me erover. Waarom zijn ze vertrokken?

Sweet Elly had hier met geen woord over gerept. Een dorp dat water heeft, verlaat je niet zomaar.

De ontmoeting met Sweet Elly was vreemd geweest. Ze was niet onvriendelijk, maar er kleefde iets aan haar dat moeilijk te benoemen viel. We hadden haar verlaten nadat ze ons had gezegd wat ze wilde zeggen, en ik bleef nadenken over wat ze niet had gezegd. Na onze ontmoeting liet ik mijn zandloper — het exemplaar met as erin — bij haar deur achter. Eraan gebonden een brief met één vraag: heeft u een kaart met de weg naar de toren van D'ave? We liepen hier blind rond en blinde mensen lopen in de verkeerde richting. Meestal dan, want Sweet Ellie leek meer te zien dan de meeste van ons...

Tijdens het verkennen van het dorp vonden we een grote ton en vulde deze tot de nok met water. Hij was zwaar en onhandig te tillen. Daar moest ik iets op verzinnen. 

Daarna splitsten we ons op. Rowan en Ignis verkenden het dorp. Ik ging op zoek naar onderdelen voor een kar, want die ton ging zichzelf niet door de woestijn slepen.

Ik vond wat ik nodig had. Een kast, een grote tafel, een sierlijke stoel die er totaal niet op zijn plek uitzag in dit vergeten gat, en een gordijn.

Terug bij ons huis was Ignis buiten bezig. Hij tekende lijnen in het zand en liep langzaam een rondje om het gebouw. "Wat doe je?" zei ik. 

Hij legde uit dat hij een beschermingscirkel trok. En toen vertelde hij waarom. Sweet Elly had afgehakte vingers als een slinger aan haar muur hangen. Met een draad aan elkaar geregen door het vlees...

Ik zei niets. Ik keek naar de deur van ons basiskamp, daarna naar Ignis, daarna weer naar de deur. De cirkel leek me plotseling een uitstekend idee maar de deur kon ookwel wat versteveging gebruiken.

Met de resten van de kast verstevigde ik de deur en ook het raam timmerde ik af. 

Met het vallen van de avond spraken we af wie de wacht zou houden. Ik was als laatste dus sliep ik. 

Tot Rowan schreeuwde. Ik schrok wakker toen hij achteruit strompelde en over me heen viel.

"Ze zijn er weer!" riep hij uit terwijl hij wees naar de deur. Ik keek naar de deur. Door een kijkgat stak een knokkige vinger naar binnen.

Ik stond op, pakte mijn greatsword en duwde met de achterkant ervan de vinger terug naar zijn eigenaar.

Ignis was inmiddels ook wakker. Pip kwam naast me staan, alert en in gevechtshouding. Toen klonk er een schelle kreet. Dezelfde als de avond ervoor. Daarna begon het. Overal buiten ons huis kwamen de undead in beweging. Ze leken zich opnieuw naar één gezamenlijk doel te bewegen.

Ons.

Er werd aan de deur gekrabd. Nagels over hout. Vingertoppen die over de planken schraapten. Het geluid galmde door het huis. We waren ontdekt. Met een aanloop gooide de een na de ander zich tegen de deur, tot deze in zijn geheel naar binnen viel. 

Voor ons stonden Undead, een stuk of wat. Sommige relatief vers, andere waren zo oud dat het vlees allang weg was. Één die er helemaal tussenuit sprong. Zijn lijf was vergroeid met een schipstuur. Hout en bot en wat er ooit tussen had gezeten, samengegroeid tot één ding. Hij had het meegesleurd vanuit god weet welk wrak, of het wrak had hem meegesleurd — op dit punt leek het verschil niet meer relevant.

De strijd begon.

Ignis trok de beschermingscirkel weer op en deze hield stand. Zolang we binnen de cirkel bleven, konden de undead niet bij ons komen. Ze beukten tegen de barrière terwijl wij vanuit de bescherming aanvielen.

Pip beet zich vast in alles wat dichtbij genoeg kwam. Rowan vuurde zijn magische projectielen af. Ignis hield de barrière overeind en af en toe trok er een rode gloed langs ons naar hem toe. 

Ik hakte. Stuk voor stuk gingen ze neer. Lichamen vielen uit elkaar en botten lagen verspreid over de grond. Zeven undead. Hopelijk deze keer definitief dood. Toen werd het rustig. Ik ging door mijn knieën en legde mijn hand op de grond. Ik voelde de aanwezigheid van meer undead in het dorp. Veertien om het huis. En in de lucht nog meer abominations. Ik stond weer op.

Ik zei niets. Dat hoefde ook niet. De anderen zagen aan mijn gezicht dat er iets mis was. Zeven hadden we net verslagen. Veertien extra, terwijl we al moe waren, was geen gevecht dat we hoefden te zoeken.

We gingen terug naar binnen.

De deur ging dicht. We versterkten hem opnieuw met de planken. Daarna blokkeerden we ieder spleetje waar licht doorheen kon komen. Geen licht. Geen geluid. We gingen zitten en wachtten. Ik dacht na tijdens mijn wacht. De ontmoeting met Sweet Elly had ons meer opgeleverd dan alleen antwoorden. Ze had verteld dat iedereen uit Droogdam was vertrokken. Waarom precies bleef onduidelijk, maar één ding was duidelijk: het waterprobleem was groter dan alleen dit dorp.

We hadden onze handen beter niet kunnen geven. Al is het terugkeren van water misschien zo slecht nog niet. Wat zou dat betekenen voor mijn clan, als het water niet meer door ons gehoed hieft te worden? Zouden de andere clans zich tegen ons keren? Wat ben ik als ik geen Hoeder van water meer ben? 

De woorden van Ellie galmden in mijn binneste: "Een verbond vraagt een prijs... Wie zweert het pad samen te bewandelen zal niet zomaar van het pad kunnen stappen. Wie het verbond breekt zal de consequenties voelen. Een uitzonderlijke aandoening van lichaam, geest of ziel die ervoor zorgt dat degene die het verbond heeft geschonden, zich nog eens héél goed zal bedenken."

Voor me zag ik hoe ze ons aankeek toen ze zei: "Laten we hopen dat jullie weten waar jullie aan begonnen zijn."

Ik wist het niet. Maar het verbond was gesloten en we moeten verder.

Sweet Ellie had een kaart voor me achtergelaten. De weg was duidelijk. Alsof het lot met me speelde zouden we eerst langs Dust komen. De plek waar ik de consequenties van mijn acties onder ogen moest zien. Daarna naar het rode ravijn, daar staat de toren van D'ave. Er zou een scroll liggen die ons verder moest helpen met onze queeste. Eentje die we niet mee kunnen nemen... tenminste dat is wat Ellie zei.

Reis door de woestijn

Nog een nacht in Droogdam zat er niet in. Niet met veertien undead ergens buiten en Sweet Elly op steenworp afstand met haar... "collectie". We pakten onze spullen. Het water ging op de kar. Ash ook. Hij had tijdens de tocht naar Droogdam een flinke zonnesteek opgelopen en lag nog bij te komen. Geen conditie om te lopen.

Aan het einde van de middag vertrokken we. De zon hing laag, maar was nog altijd genadeloos. Ik pakte de kar vast en trok hem mee. Dat was dat. Droogdam lieten we achter ons. Met de kaart wisten we waar we heen moesten. Dat scheelde tijd.

We trokken de kar door de woestijn richting de karavaanhalte. De halte doemde op uit de hitte. Een hoge pilaar, omringd door een eenvoudige rustplek. In het midden een vuurplaats en aan de zijkant een rij stenen. We waren moe. We besloten om de beurt nog wat uit te rusten voordat de karavaan zou komen. Ik koos ervoor om op de stenen te gaan liggen.

Na wat er eerder hier uit de grond was gekomen, leek me dat verstandiger. Ik had weinig zin om opnieuw door iets gegrepen te worden terwijl ik lag te slapen.

Rond het middaguur kwam de karavaan rustig aan.De karavaan werd geleid door Misab, een tabaxi. Hij had zwarte haren en een witte bles op zijn gezicht. 

We kochten een plek en namen plaats in een rustige kar, samen met een paar andere passagiers. Voor het eerst sinds Droogdam hoefden we niet zelf een kar door het zand te trekken. De karavaan kwam langzaam op gang. We gingen verder richting Dust en ik sloot mijn ogen om te rusten.

Het Debacle van Dust

De reis verliep rustig. Twee dagen lang reden we door de woestijn zonder problemen. Na twee dagen kwam de karavaan tot stilstand. Ignis, Rowan, Ash en ik stapten uit. De ton met water op mijn rug gebonden. De rest van de karavaan trok verder.

Wij gingen Dust binnen. Zodra we aankwamen, schrokken de dorpelingen van mij. Er ontstond direct paniek. Mensen begonnen te schreeuwen en zenuwachtig om ons heen te lopen.

"Een watergoliath! Ze komen ons droogleggen!" Een andere dorpeling riep: "Komt de watergoliath ons water brengen?"

Ik keek om me heen. Blijkbaar was mijn aanwezigheid hier iets bijzonders. Ik wilde naar het waterkwartier van het dorp om informatie op te halen. Maar er was geen waterkwartier. Er was alleen een lege put. De put waarvoor de vaten die we bij Kadev hadden achtergelaten eigenlijk bestemd waren.

Ik keek erin. Droog. Geen water. Niets.

"Wie is hier jullie dorpshoofd?" vroeg ik.

De mensen om ons heen zeiden niets. Ze wezen alleen met angstige gezichten naar een huis dat iets groter was dan de rest. We liepen erheen. Daar werden we ontvangen door Nizar. Hij keek naar mij alsof hij al wist waarom ik daar was. "Je komt ons droog te leggen. Zie je wel! Ik wist het. Het is zover!"Hij raakte steeds verder in paniek. "Maar wat hebben we gedaan? We hebben niks fout gedaan!"

Ik wist niet hoe ik met deze paniekerige leider om moest gaan. Ik stond daar maar, terwijl de angst in de kamer steeds groter werd. Elke keer als ik probeerde te praten verdraaide hij mijn woorden door zijn paniek. Ignis vroeg of er een brief was aangekomen. De man aarzelde en opende wat lades in zijn bureau. Hij stak het kleine rolletje naar me uit terwijl hij zoveel afstand als mogelijk hield. 

Ik pakte hem aan. Er zat een waterzegel op. De brief leek al een keer geopend te zijn... ik rolde hem uit en las één woord:

Consequenties.

Een gevoel van onrechtvaardigheid en ongeloof trok door me heen. Als watermeester wist ik dat water kostbaar was. Dat wist ik maar al te goed. Maar was het niet juist bedoeld om levens mee te redden?

Mensen konden toch niet zomaar drooggelegd worden? Ik wist even niet wat ik moest doen. De paniek om me heen was voor mij. De angst was voor mij. Dit gebeurde door een keuze die ik had gemaakt.

En waar was de eer van vroeger? Wij, als Waterhoeders, waren toch neutraal? Ik wist het niet meer. In mijn verwarring deed ik het enige waarvan ik dacht dat het juist was. Ik wees naar onze ton.

"Ik ben hier schuldig aan, Nizar." Ik pakte de ton vast. "Ik neem de schuld op mij." We hadden vijftig liter water bij ons. Het water waar we zelf zo hard voor hadden gewerkt. Het water dat ons door de woestijn moest helpen. Maar op dat moment kon ik het niet voor mezelf houden. Ik bood onze vijftig liter water aan.

Hij greep de ton met water en klemde die tegen zich aan. "Dit helpt niks, Waterhoedet! Je hebt ons tot de dood veroordeeld. Jij en die demon!"

Hij wees naar Ignis.

"Maak dat je weg komt. Ga. En kom nooit meer terug."

Buiten klonk het geroezemoes van een menigte. Stemmen, gesis, mensen die zich voor het huis hadden verzameld. Dit klonk niet vriendelijk. Ik droop af. Verbaasd. Gekwetst. En vooral boos. Water was rijkdom. Dat wist iedereen. Maar hoe zat het met mensenlevens?

Dit was de eerste keer dat ik in de Dorstlanden op doorreis was. Heel mijn leven had ik water in overvloed gekend. De handel was hard, dat wist iedereen. Maar handel drijven op een plek waar water in overvloed was, voelde anders dan dit.

Hier ging het om leven.

We liepen weg. Nog voordat we de weg naar de buitenrand van het dorp hadden gevonden, nam Ignis me apart. 

"Jij gaat dat water nu terughalen, Vika. Wij gaan dood als we dit water niet meenemen." Daar had hij een punt. Ignis sprak een spreuk uit en ik werd onzichtbaar. Ik deed wat mijn compagnon me opdroeg. Ik ging terug en haalde het water. 

Rowan leek daarna ook wat minder gespannen.

We verlieten het dorp zo voorzichtig mogelijk. Niemand mocht ons tegenhouden. Niemand mocht weten waar we heen gingen. Uiteindelijk waren we buiten Dust. De menigte bleef achter. Samen met de droogte. Ignis had gelijk. De vijftig liter kon ons redden en het dorp niet.

Toch bleef er iets aan me knagen. Ik had het gevoel dat Nizar het water niet op de juiste manier zou uitdelen. Misschien zou het bij de verkeerde mensen terechtkomen. Misschien helemaal niet bij de mensen die het nodig hadden.

Ik wist het niet. Ik had er nietd meer over te zeggen. We trokken verder. Onze bestemming was de toren van D'ave. We volgde de aangegeven route tot het begon te schemeren in het Rode Ravijn. Daar sloegen we ons kamp op. We aten voorzichtig ons rantsoen. De ton met water naast me...

"Consequenties" galmde het door mijn hoofd "Cosequenties" de hele nacht, zelfs in mijn dromen.